Kinderboekenambassadeur

   
 

‘Wij proberen ouders erbij te betrekken’ – De VoorleesExpress

Ik ontmoet Susanne Vrolijk in mijn ‘eigen’ bibliotheek in Haarlem Centrum. Daar werkt ze als projectleider van de VoorleesExpress. Via deze landelijke organisatie gaan vrijwilligers naar gezinnen om thuis voor te lezen. Ik mag haar als Kinderboekenambassadeur wat vragen stellen.

Kinderboekenambassadeur Rian Visser in gesprek met Susanne Vrolijk, projectleider van de VoorleesExpress
Kinderboekenambassadeur Rian Visser in gesprek met Susanne Vrolijk, projectleider van de VoorleesExpress in Haarlem en Zandvoort.

Fijn dat ik jou mag interviewen, Susanne. Ik heb een bubbel meegenomen met daarin een kindje met een paar boeken. Wat zijn jouw gedachten hierbij?
Ik zie een heel blij meisje met boeken om haar heen. Dit is wat je wilt. Een goed aanbod van boeken; dat kinderen boeken echt in handen hebben. Wij mogen na afloop van een traject een paar boeken weggeven aan het gezin. Ik vind het een heel fijn idee dat kinderen – los van hun lidmaatschap van de bibliotheek – ook enkele boeken mogen houden.

Jullie vrijwilligers komen gedurende twintig weken bij een gezin thuis om kinderen van 2 tot 8 jaar voor te lezen en (taal-)spelletjes met hen te doen. Is het moeilijk om gezinnen te vinden?
In Zandvoort zijn we het project aan het opstarten en daar zijn we nog op zoek naar gezinnen, maar verder gaat dat heel goed. De aanmelding gebeurt vooral via peuterspeelzalen en scholen. Een enkele keer meldt een gezin zichzelf aan en dan neem ik contact op met de school van de kinderen. Die kan ons vertellen of het veilig genoeg is in het gezin, of er geen andere problematiek speelt en of het gezin voldoet aan onze criteria.

AanbodWat voor gezinnen zijn het? Mijn idee is dat het meestal om gezinnen gaat waar de ouders niet goed Nederlands spreken. Klopt dat?
Vaak wel. Het gaat er niet alleen om dat de ouders niet voorlezen, maar ook dat er weinig tegen kinderen gesproken wordt. Wij noemen dat een taalarme thuissituatie. Er zijn bijvoorbeeld ook expat-gezinnen waar ouders geen Nederlands spreken, maar die wel rijke taal aanbieden. Dat is niet onze doelgroep. Die gezinnen proberen we te verwijzen, bijvoorbeeld naar digitale prentenboeken in meerdere talen van Bereslim, lidmaatschap van de bibliotheek, De Voorleeshoek en prentenboekeninalletalen.nl.

Komen jullie in eerste instantie voor het kind of voor de ouder?
Het is een gezinsaanpak, maar het kind staat bij de meeste vrijwilligers toch voorop. Daar gaan ze mee aan de slag.

Is het niet effectiever om de ouders aan te pakken? Zij moeten leren hoe ze zelf kunnen voorlezen.
Ja, dat klopt. We proberen bewust de ouders erbij te betrekken. Dat doen we o.a. door boekjes cadeau te geven, bijvoorbeeld de mini-versie van het Prentenboek van het Jaar en te verwijzen naar de website prentenboekeninalletalen.nl waar dat boek in ruim veertig talen wordt voorgelezen. De vrijwilligers spelen bijvoorbeeld ook memory met de kinderen en vragen dan de ouders dan om mee te doen.

Ik zag een advertentie op social media met uitleg over de VoorleesExpress. Daarin staat: ‘Vind jouw kind taal moeilijk? En vind je het lastig om je kind hierin te begeleiden? Dan kan een van onze vrijwilligers misschien bij jullie langskomen om voor te lezen en taalspelletjes te doen.’ Die tekst geeft het idee dat het probleem in eerste instantie bij het kind ligt. Jullie zouden ook kunnen schrijven: ‘Vind jij voorlezen lastig en heeft jouw kind daarom een achterstand met taal?’ Of zijn jullie bang dat ouders zich dan schamen en zich niet aanmelden?
Ik weet niet of ouders zich schamen. De ouders die meedoen zien het echt als een cadeautje. Zo wordt het ook door school gebracht: hoe bijzonder het is als iemand twintig keer bij jou thuiskomt.

Maar hoe zou je het zelf ervaren als iemand bij jou thuiskomt om jouw kind voor te lezen?
Ik denk dat ik het wel lastig zou vinden, omdat je dan het gevoel krijgt dat je het zelf nog niet goed genoeg kan.

Is het erg als ouders zich schamen? Als ze op hun gedrag worden aangesproken kan dat ook een trigger zijn om in actie komen.
Zeker. Ik kwam laatst als leesconsulent in een peuterspeelzaal en hoorde van de leidsters dat ouders hun kinderen soms komen brengen met oortjes in. Daar mag je best wat van zeggen. Vertellen hoe belangrijk het is om met je kind te praten en nog even te blijven om samen een spelletje te doen. Het is echter soms heel lastig om ouders te bereiken. Op ouderavonden komen vaak maar een handjevol ouders, en dat zijn dan precies de ouders die je eigenlijk niets hoeft te vertellen.

Ik vraag me af of een boodschap van buitenaf überhaupt wel werkt. Ik liet op ouderavonden mensen in tweetallen met elkaar in gesprek gaan over voorlezen; eerst hoe ze als kind werden voorgelezen en daarna hoe ze dat zelf doen met hun kinderen. Dat was soms heel confronterend. Ze schaamden zich als ze elkaar niets konden vertellen. Ik hoop dat die confrontatie aanzette tot gedragsverandering.
Dat kan zeker werken.

Ik heb nog een suggestie. Van mijn dochter, die in de sociale sector werkt, hoor ik dat zij cliënten zoveel mogelijk zelf laat organiseren. Cliënten moeten elkaar helpen, voordat een hulpverlener bijspringt. Zou zoiets met leesbevordering ook niet kunnen werken? Dat heft ook de ongelijkwaardigheid op: van de vrijwilliger die het even komt voordoen.
In het begin is die ongelijkheid er misschien wel, maar al snel wordt er een band opgebouwd en is het contact tussen vrijwilliger en gezin heel vertrouwd. Als ik het aan de vrijwilligers zou vragen, voelt het voor hen niet als van bovenaf opgelegd. Ik zie bijzondere vriendschappen ontstaan, zoals een vrijwilliger die bij de iftar mag komen. Het is een uitwisseling van cultuur, elkaar leren kennen. Soms houdt de vrijwilligers jarenlang contact met het gezin. Dat maakt het heel bijzonder.

Maar zouden ouders niet zelf andere ouders kunnen laten zien wat ze geleerd hebben?
Ouders die klaar zijn bij ons, geven dat vaak aan andere ouders door. Zo van: Dat is goed. Dat moeten jullie ook doen.

Ik bedoel eigenlijk dat de ouders zelf de vaardigheden gaan verspreiden, zonder vrijwilliger.
Het zou mooi zijn als dat gebeurde. Het is een interessant idee.

Mijn motto is: Laat van je lezen. Daarmee bedoel ik dat mensen zelf actief worden. Stel dat je naast een gezin woont waarin niet voorgelezen wordt. Of dat je weet dat het kind alleen maar tekenfilmpjes kijkt. Mag je daar wat van zeggen of moeten we ons niet op die manier met elkaar bemoeien?
Ik zou kijken wat kan. Bij buren zou ik eerst proberen een band op te bouwen. Je kunt niet aanbellen en zeggen: ‘Hier is een boek. Ga je kind voorlezen.’ Bij mensen met wie je al een band hebt, kun je het zeker aankaarten. Als onze vrijwilligers bij een gezin thuiskomen, bespreken ze de eerste keer dat de televisie uitstaat tijdens hun bezoek. Ik herken het overigens wel. Wij hebben jonge kinderen en soms wil je toch even je handen vrij hebben.

Hoe kritisch zijn jullie met het selecteren van de gezinnen?
Belangrijk is dat het gezin een doelgroepgezin is. Daarvoor hanteren we twee belangrijke criteria. Ten eerste dat de ouders moeite hebben om de taalontwikkeling van hun kinderen te stimuleren. Ten tweede dat de ouders dit wel willen leren, motivatie tonen en tijd vrijmaken. Dat biedt de best garantie dat ouders het zelf kunnen overnemen. Op ons aanmeldformulier kunnen ouders invullen wat ze willen leren van de vrijwilliger.
We hadden een keer een aanmelding van een gezin waar de moeder de zorg voor de kinderen had en een andere taal sprak. De vader was Nederlandstalig en werkte fulltime. Hij zou zijn kinderen best kunnen voorlezen, maar deed het niet. Wij vonden het niet passend om daar een half jaar een vrijwilliger veel tijd in te laten stoppen. Als kinderen in zulke gezinnen ondersteuning nodig hebben, hebben de ouders wel de financiële middelen om externe hulp in te schakelen.

Kun je ook iets zeggen over de vrijwilligers? Zijn dat allemaal witte vrouwen van middelbare leeftijd?
Haha. Ja, onze vrijwilligers zijn vaak vrouwen rond de pensioenleeftijd, maar er zijn ook uitschieters naar boven en beneden. Er is een oma van 83 jaar wiens kleinkinderen al volwassen zijn en er zitten ook vrouwen bij van in de dertig, veertig. Van de vijfenzeventig vrijwilligers bij ons zijn er vijf mannen.

Werken jullie ook met studenten of met scholieren die een maatschappelijke stage moeten doen?
Dat gebeurt niet, maar zou wel mooi zijn.

Wat is jouw mooiste moment als projectleider?
Er was een vrijwilligster die haar zoontje van drie jaar wilde meenemen naar het gezin waar ze ging voorlezen. Het lukte om een koppeling te maken met een gezin in haar buurt met een zoontje van dezelfde leeftijd. Die jongetjes zijn echte vriendjes geworden. Ze zaten in dezelfde kleuterklas en spelen nog steeds met elkaar. Ook de moeders hebben contact gehouden.

Hebben jullie in deze regio ook een DoorleesExpress voor kinderen van 8 tot 12 jaar?
Dat is er nog niet. De vraag is er wel en het is heel belangrijk om kinderen te helpen die nog nooit een boek hebben uitgelezen en taal stom vinden. Helaas lukt het ons nog niet om dat te organiseren. We hebben er nu de uren niet nog voor, omdat we gekozen hebben eerst het werkgebied van de VoorleesExpress uit te breiden.

Een laatste vraag, Gaat het weleens mis?
Ja, soms. Dat heeft er dan vooral mee te maken dat de hulpvraag te ingewikkeld is, bijvoorbeeld als kinderen een verwijzing hebben naar speciaal onderwijs en lastig gedrag vertonen. Soms blijkt dan na een paar keer dat het kind er geen plezier in heeft. Plezier moet vooropstaan, voor het kind én voor de vrijwilliger, want die wil er ook iets uithalen.

Dank je wel voor het gesprek.