Op 5 januari 2026 verscheen er in het AD een column van Özcan Akyol. ‘Een beetje dommig om te denken dat kinderen alleen leren lezen op school’.

Waar ik als Kinderboekenambassadeur vooral me vooral richt op kinderen tot 13 jaar, spreekt Özcan vooral over jongeren. Hij zegt dat hij een van de weinige schrijvers is die middelbare scholen willen bezoeken, omdat ze niet opgewassen zijn tegen de aversie die leerlingen hebben tegen lezen.
“Wat hier is misgaat, is dat we de grote opdracht – jonge mensen aan het lezen krijgen – blijkbaar volledig willen delegeren aan onderwijzers die vaak zelf geen romans lezen en daarbij verzuipen in allerlei lesmethodes. Wat voor het gemak vergeten lijkt te worden, is dat de verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van een kind primair bij de ouders ligt. Zij moeten voorlezen, bibliotheken bezoeken en de noodzaak van geletterdheid overbrengen in de opvoeding. Het is oneerlijk om het probleem van de ontlezing alleen bij scholen neer te leggen. Er moet veel meer gebeuren.”
Weer een campagne?
Wat moet er dan gebeuren? Volgens Özcan Akyol is het tijd voor een campagne om de verantwoordelijkheid voor lezen weer (of óók) bij de ouders te leggen. Hij zit hierin een moeilijke maar belangrijk taak voor de nieuwe regering.
Ik vind het heel positief dat Özcan wijst op de verantwoordelijkheid van ouders, maar heeft het zin om nog wéér een campagne op te zetten? Er zijn al best veel projecten en campagnes om jongeren aan het lezen te krijgen. In 2025 heeft de Leescoalitie (een samenwerking van tien organisaties) de grote bewustwordingscampagne gelanceerd met het motto: ‘Wie leest heeft een goed verhaal’. De reclamefilm is in bioscopen en op televisie uitgezonden en heeft dus een grote groep bereikt. Voor jonge ouders is er de campagne Boekstart, waarbij ouders voor hun baby gratis een koffertje met een boekje kunnen ophalen in de openbare bibliotheek. Lidmaatschap van de bibliotheek is gratis voor kinderen tot 18 jaar en steeds vaker ook voor jongvolwassenen tot 27 jaar.
Hoe bereiken we de juiste doelgroep?

Als Kinderboekenambassadeur stelde ik mezelf ten doel te onderzoeken hoe we moeilijk bereikbare groepen kunnen bereiken. Daarvoor maakte ik een symbool: een bubbel waarin een kind zit te lezen. Ik tekende er drie ringen omheen. De campagnes, overheid en bibliotheek vormen de buitenste ring, de school, opvang, vrienden, buren en familie de middelste ring en de ouders de binnenste ring. De binnenste ring heeft het meeste contact met het kind. Dáár moet het gebeuren. Ouders zouden hun baby moeten voorlezen, moeten meelezen met hun kinderen en met hun pubers over boeken moeten praten.
Wordt er echter in een gezin met kleine kinderen niet voorgelezen, dan kunnen buren, vrienden en familie helpen. De hele samenleving heeft een taak. Mijn motto als Kinderboekenambassadeur is een oproep aan iedereen die van lezen houdt: ‘Laat van je lezen. Laat weten dát je leest en wát je leest.’
Deze boodschap probeer ik zo breed mogelijk uit te dragen.

In het voorwoord van de Voorleesgids, een gratis brochure van de CPNB schreef ik: ‘Elk kind verdient een voorlezer’. Voorgelezen worden beschouw ik namelijk als een kinderrecht. Ouders moeten hun kinderen de beste kansen te geven om zich te ontwikkelen. Als ze daarin tekortschieten, moeten ze geholpen worden. Ik doe daarbij ook een oproep aan iedereen die van lezen houdt: “Deel je enthousiasme over mooie kinderboeken. Geef boeken cadeau of help ouders met het kiezen van een geschikt voorleesboek. Misschien wil je zelfs voorleesvrijwilliger worden bij de bibliotheek of de VoorleesExpress. Elk kind verdient het immers om voorgelezen te worden.”
Laten we dus niet alleen naar kinderen en scholen wijzen, maar vooral onszelf onder de loep nemen. Hoeveel lezen wij en hoe dragen we leesplezier uit?



